werken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wer·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: werken
Oudnederlands: wirken
Germaans: *wirkijanan
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: work (Angelsaksisch: wyrcan), Duits: wirken, (Oudhoogduits: wirken), Fries: wurkje (Oudfries: werka, wertzia)
Noord: Zweeds: virka, Noors: virke, (Oudnoords: virkja), IJslands: virka, Faeröers: virkja, virka
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
werken
werkte
gewerkt
zwak -t volledig

Werkwoord

werken

  1. inergatief arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen en daarmee je geld verdienen
    • ` Misschien moet je eens gaan werken', riep hij me na. De trein reed te snel weg om hem iets ad rems toe te schreeuwen. Van Arnhem tot Parijs spookte zijn opmerking door mijn hoofd. Ik wenste dat Stan op zijn bed was blijven liggen of was gaan werken. [1] 
  2. inergatief functioneren, draaien: die machine werkt niet
  3. inergatief een gunstig gevolg hebben: die oplossing kan nooit werken
  4. (verouderd) iets groots tot stand brengen
Afgeleide begrippen
Citaten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
werken
wrocht
gewrocht
4. zwak -cht volledig

QUERULIANUM.

  • Gelijk men zegt: „Ik zoek, ik zocht,
  • Ik breng, ik brocht,”
  • Zoo zei men ook: „Ik werk, ik wrocht, ”
  • Zoolang het volk zijn taal verstond.
  • Thans hoor ik, uit geleerden mond:
  • „Ik wrocht, ik wrochtte, heb gewrocht”…
  • Nu ja! — een wangedrocht!
Uitdrukkingen en gezegden
  • dat werkt niet
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

werken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord werk

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 109