werkplek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • werk·plek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord werkplek werkplekken
verkleinwoord werkplekje werkplekjes

Zelfstandig naamwoord

werkplek v/m

  1. de plaats waar iemand zijn beroep uitoefend, werkvloer
    • Van heimwee had ik bepaald geen last als we vroeger met ons gezin op vakantie gingen. Dolenthousiast was ik: een halfjaar van tevoren keek ik er al naar uit. Dat ik nu al reizend kan werken, vind ik geweldig. Voor het eerst lopen door de straten van New York of waar dan ook ter wereld: er maakt zich een enorme opwinding van mij meester als ik op een nieuwe plek kom. Dat ik geen vaste werkplek heb, is voor mij geen punt. Ik weet genoeg werkplekken te vinden die te huur zijn. Voor geroezemoes of getinkel van bestek kan ik me goed afsluiten. [1] 
    • In het moderne kantoor zijn er geen vaste werkplekken meer. 
  2. de baan, de arbeidsplaats
    • In dit bedrijf zijn 100 werkplekken gerealiseerd. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Reformatorisch Dagblad Gertina Heger 23-04-2018 Werken met de wereld aan je voeten
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be