giswerk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gis·werk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord giswerk
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

giswerk o

  1. iets wat men doet door gokken en raden
    • Het is giswerk, was het de warmte of is de grote vakantieuittocht al direct in het eerste vakantieweekend op gang gekomen? Maar het was duidelijk te zien dat het publiek dit jaar niet in de gebruikelijke drommen naar het stadion was gekomen. Het was een rustige editie. [1] 
    • Vandaag is er weer een avondsessie gepland. Aanvankelijk had Schippers laten weten dat er alleen in de ochtend en de middag zou worden onderhandeld. In de avonduren zou alleen ‘zo nodig’ worden doorvergaderd. Wat dit zegt over de slagingskansen van de formatie is giswerk, maar de partijen houden bij hoog en laag vol dat het een serieuze poging is. [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Tubantia Chris Stadhouders 24-07-16 Open dag NAC: een rustige en warme seizoensopening
  2. Tubantia Tobias den Hartog 12-04-17 Moeder Jesse Klaver in ziekenhuis, Van Ojik vervangt hem
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be