speurwerk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • speur·werk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord speurwerk speurwerken
verkleinwoord speurwerkje speurwerkjes

Zelfstandig naamwoord

speurwerk o

  1. activiteiten om iets te vinden/onderzoeken
    • Het speurwerk leverde niets op. 
     De Deense veiligheidsdienst had jarenlang aan deze zaak gewerkt zonder de bende op te kunnen pakken, ondanks jaren van speurwerk te voet, per auto en uiteraard door min of meer voortdurend de telefoons af te luisteren.[1]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “De tweede doodzonde” (2020), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044645149
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be