werktitel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • werk·ti·tel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord werktitel werktitels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

werktitel m [1]

  1. titel die men gebruikt tijdens het maken van iets, maar dat niet de definitieve titel is of hoeft te zijn; voorlopige titel of naam
    • De makers van de nieuwe Bond, die voorlopig de werktitel Bond 25 heeft, gingen er al vanuit dat Meghan geen optie meer was toen bekend werd dat zij de vriendin van Harry was. Bij de bekendmaking van de verloving van de twee werd inderdaad duidelijk dat de actrice haar Hollywoodcarrière beëindigt.[2] 
    • De Jong stelt dat het zeker nog twee jaar duurt voordat het project, dat als werktitel Afsluitdijk Nature heeft, klaar is.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 29 dec. 2017
  3. de Telegraaf 26 dec. 2017