baan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • baan
enkelvoud meervoud
naamwoord baan banen
verkleinwoord baantje baantjes

Zelfstandig naamwoord

baan v

  1. (beroep) het werk, een arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer
    Ik heb sinds kort een baan bij dat bedrijf.
  2. (verkeer) een verkeersweg of weggedeelte, voor rijverkeer of voor het opstijgen en landen van vlieg- en ruimtevaartuigen
    Die weg bestaat uit vier rijbanen, een fietspad, twee ventwegen en twee voetgangerspaden.
  3. (natuurkunde) het traject van een projectiel of hemellichaam
    De sonde draait nu in een baan om de zon.
  4. (sport) een voor sportwedstrijden geschikt gemaakt, langwerpig en vlak terrein, een rechte of rondgaande weg, of een deel van een vaar- of zwemwater
    De Duitse roeiers in baan drie hebben een duidelijke voorsprong.
  5. strook materiaal als (behang-)papier, vloerbedekking, (textiel-)stof,
    Een vlag met drie gekleurde banen.
  6. (techniek) het rechthoekige bovenblad van een aambeeld
    In de baan van het aambeeld zit een vierkant gat waarin hulpstukken kunnen worden geplaatst.
  7. (militair) een terrein voor het houden van schietoefeningen
    Vandaag hebben we de hele dag dienst op de schietbaan.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • ruim baan maken
de ruimte geven
  • iets op de lange baan schuiven
stilletjes van plan zijn iets niet af te handelen
  • iets van de baan schuiven
iets niet door laten gaan
  • iets in goede banen leiden
dreigende problemen voorkomen door goede begeleiding
  • flexibele baan
een baan van een werknemer met een afspraak over een arbeidsduur met een variabele aantal uren per week
  • reguliere baan
een baan van een werknemer met een afspraak over een arbeidsduur met een vast aantal uren per week
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
banen

baan

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich banen
    Ik baan me.
  2. gebiedende wijs van zich banen
    Baan je!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich banen
    Baan je je?


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

baan m

  1. (Hooglimburgs) weg, straat.
    «Gank mer waenger ge wagesbaan, den bös se kórter.»
    Ga maar via de auto(snel)weg, dat is korter.
  2. (Hooglimburgs) spoor, rails.
Opmerkingen
Verbuiging
  • De meervoudsvormen zijn slechts theoretisch, omdat dit woord slechts in samenstelling gebruikt wordt waar het meervoud door het eerste deel wordt bepaald (eine spaorbaan, twieë späörbaan). Echter is er voor de locatief een uitzondering (eines spaorbanes, twieës spaorbanese).