werkgever

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • werk·ge·ver
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van werk en de stam van geven met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord werkgever werkgevers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

werkgever m

  1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
    • De voetballer wiens contract afloopt heeft nog geen nieuwe werkgever kunnen vinden. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie