vakwerk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vak·werk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vakwerk vakwerken
verkleinwoord vakwerkje vakwerkjes

Zelfstandig naamwoord

vakwerk o [1]

  1. heel goed werk van een vakman
  2. (bouwkunde) ouderwetse bouwconstructie waarbij de wanden van een gebouw worden samengesteld uit een geraamte van houten balken, die vakken vormen, die daarna opgevuld worden met metselwerk of vlechtwerk van takken waarover leem wordt gestreken
  3. een overspanningsconstructie bestaande uit lijnvormige elementen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal