kopwerk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kop·werk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kopwerk kopwerken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kopwerk o

  1. het uit de wind houden van medesporters in een snelheidswedstrijd door vooraan te gaan
    • In totaal wist de Nederlandse ploeg in het Zuid-Afrikaanse Pietermaritzburg zes gouden medailles te veroveren, waaronder de gouden plak van Tim de Vries tijdens de wegwedstrijd op zaterdag. Een overwinning die mede tot stand kwam door het kopwerk van Reekers. [1] 
    • De grote favoriet Edwin Kiptoo stelde teleur. De Keniaan die de afgelopen twee edities van de Dam tot Dam won, ging voor de historisch hattrick maar eindigde als vierde. Kiptoo liep lang op kop maar moest zijn vele kopwerk in de laatste kilometer bekopen. [2] 
    • Jorrit Bergsma eindigde als negende. De Friese stayer deed veel kopwerk, maar wachtte in de slotfase vergeefs op ploeggenoot Arjan Stroetinga. Diens achterstand op de voorste rijders was te groot om zich nog in de eindsprint om de medailles te kunnen mengen. [3] 
  2. hersenarbeid

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen