arbeid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·beid
enkelvoud meervoud
naamwoord arbeid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

arbeid m

  1. (natuurkunde) energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
  2. (economie) de primaire productiefactor
  3. verhandelen van objecten door menselijke bewegingen op een welbepaalde locatie
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
arbeiden

arbeid

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arbeiden
    Ik arbeid.
  2. gebiedende wijs van arbeiden
    Arbeid!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arbeiden
    Arbeid je?

Meer informatie


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·beid
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van de Nederduitse woorden arbeit / arbet (inspanning, moeite)
Naar frequentie 1040

Werkwoord

arbeid

  1. gebiedende wijs van arbeide
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   arbeid     arbeidet     arbeid     arbeida
arbeidene  
genitief   arbeids     arbeidets     arbeids     arbeidas
arbeidenes  

Zelfstandig naamwoord

arbeid o

  1. arbeid, werk
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • arbeid som pågår
in bewerking
  • arbeide så svetten hagler
werken als een paard


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·beid
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van de Nederduitse woorden arbeit / arbet (inspanning, moeite)

Werkwoord

arbeid

  1. gebiedende wijs van arbeida

Werkwoord

arbeid

  1. gebiedende wijs van arbeide
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   arbeid     arbeidet     arbeid     arbeida  

Zelfstandig naamwoord

arbeid o

  1. arbeid, werk
Afgeleide begrippen