plakwerk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plak·werk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord plakwerk plakwerken
verkleinwoord plakwerkje plakwerkjes

Zelfstandig naamwoord

plakwerk o [1]

  1. van een tekst dat deze gemaakt is door het kopiëren (van gedeelten) van andere teksten
    • Deze scriptie is eigenlijk een resultaat van knip- en plakwerk verbonden met een enkele door student zelf verzonnen zin. 
  2. een knutSelwerkje gemaakt door plakken
    • De meeste lezers zullen er weinig van merken: de uitwisseling van tientallen artikelen per dag door de Nederlandse dagbladen. Weinig mensen lezen meerdere kranten. Maar het knip-en-plakwerk is grootschalig, en wordt alleen maar meer. [2] 
    • De kleuter liet trots haar plakwerkje zien aan haar moeder.  
Typische woordcombinaties
  • knip- en plakwerk
een nieuwe tekst maken door van andere teksten delen over te nemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Menno Sedee 27 december 2016
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be