automaat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to·maat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord automaat automaten
verkleinwoord automaatje automaatjes

Zelfstandig naamwoord

automaat m

  1. (techniek) een toestel dat, eenmaal in werking gezet, zonder verdere tussenkomst een aantal handelingen verricht
    De belichtingsautomaat regelde het diafragma en en de belichtingstijd van de fotocamera.
  2. (techniek) auto met automatische versnellingsbak
    In Amerika rijden bijna alleen maar automaten rond.
  3. (techniek) apparaat dat iets verstrekt na betaling
    laten we even een kroketje trekken uit de automaat
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie