rokken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

o: houten staafje om vezels omheen te winden
Uitspraak
Woordafbreking
  • rok·ken
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

rokken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rok
enkelvoud meervoud
naamwoord rokken rokkens
verkleinwoord rokkentje rokkentjes

Zelfstandig naamwoord

rokkeno [3]

  1. houten staafje om vezels omheen te winden, gebruikt bij het spinnen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rokken
rokte
gerokt
zwak -t volledig

Werkwoord

rokken [4] [5]

  1. overgankelijk op een spinrokken winden
Hyponiemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Noors

Woordafbreking
  • rok·ken
Naar frequentie > 50000

Zelfstandig naamwoord

rokken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van rokk

Zelfstandig naamwoord

rokken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van rokke
Schrijfwijzen


Nynorsk

Woordafbreking
  • rok·ken

Zelfstandig naamwoord

rokken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van rokk