Naar inhoud springen

rokken

Uit WikiWoordenboek
o: houten staafje om vezels omheen te winden
  • rok·ken

derokkenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rok
     Voor zover haar rokken het toelaten, haast ze zich door de gang, maar ondertussen begint ze weer te denken als een klein kind.[3]
     In een wolk van zware bloemengeuren zweeft Agnes in haar volumineuze, zwarte rokken over de ijskoude grafstenen.[3]
     Dhana jankt en probeert onder Nella's rokken te kruipen.[3]
enkelvoud meervoud
naamwoord rokken rokkens
verkleinwoord rokkentje rokkentjes

hetrokkeno [4]

  1. houten staafje om vezels omheen te winden, gebruikt bij het spinnen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rokken
rokte
gerokt
zwak -t volledig

rokken [5] [6]

  1. overgankelijk op een spinrokken winden
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[7]
  • rok·ken
Naar frequentie > 50000

rokken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van rokk

rokken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van rokke
  • rok·ken

rokken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van rokk