werkkamer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • werk·ka·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord werkkamer werkkamers
verkleinwoord werkkamertje werkkamertjes

Zelfstandig naamwoord

werkkamer v/m

  1. kamer waar je (vooral aan een bureau) kunt werken
    • De professor heeft een eigen werkkamer in het laboratorium waar hij zijn artikelen kan schrijven. 
    • De minister-president heeft een eigen werkkamer in het Torentje aan het Binnenhof in Den-Haag. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.