bouwwerk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

een bouwwerkje van Duplo
Uitspraak
Woordafbreking
  • bouw·werk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bouwwerk bouwwerken
verkleinwoord bouwwerkje bouwwerkjes

Zelfstandig naamwoord

bouwwerk o

  1. een constructie van enige omvang die verbonden is met de grond en waarin men kan wonen of werken
    • De Branchevereniging van architectenbureaus heeft de ondergrondse parkeergarage in Katwijk aan Zee uitgeroepen tot Beste Gebouw van het Jaar. Het bouwwerk, bijna onzichtbaar in de duinen, staat volgens de jury „in de nieuwe Nederlandse traditie om te ‘bouwen met natuur’ als antwoord op de stijgende zeespiegel en een kwaliteitsrijke kust”.[2] 
    • Wat blijft is de vraag of er eigenlijk wel sprake is van een brug. 'Folly', een nutteloos bouwwerk, is wellicht een betere term voor deze ophaalbrug, die in werkelijkheid helemaal geen ophaalbrug is, maar een veredeld lichtobject. Duizenden ledlampjes verlichten van binnenuit de twee staanders en hefbomen die je van afstand al ziet. [3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen