werklast

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • werk·last
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord werklast werklasten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

werklast m

  1. het werk dat gedaan moet worden en de belasting die dat oplevert
    • PvdA-leider Lodewijk Asscher wil dat werknemers na werktijd onbereikbaar moeten kunnen zijn voor hun baas. „Mailtjes, sms’jes of appen met collega’s tot laat in de avond of in het weekend leiden tot een steeds vagere grens tussen werk en privésfeer”, stelt de PvdA. „Dit kan uiteindelijk resulteren in een te grote werklast, burn-out en verstoorde relaties in het gezin.” [1] 
  2. maximale gewicht dat bij recht hijswerk gehesen mag worden
    • De werklast is veel lager dan wat nodig is om een kabel te laten breken. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC 2 februari 2017