werkploeg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • werk·ploeg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord werkploeg werkploegen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

werkploeg v/m [1]

  1. een groep van werklieden die samenwerkt
    • X. was op het laatste moment ingevallen voor een zieke in een werkploeg die graafwerkzaamheden deed en was niet vooraf aangemeld. De procedures schrijven dan voor dat er overleg plaatsvindt tussen de bewaking en een luchtmachtfunctionaris. Maar dat is niet gebeurd. El A. werd toegelaten na contact met de voorman en het overhandigen van zijn identiteitsbewijs.[2] 
    • Het merk had de grote vraag kennelijk zien aankomen, want vorig jaar werd de werkploeg van de Halewood-fabriek uitgebreid naar meer dan 3.000 werknemers. Ook de vraag van de Freelander 2 nam toe, dus werden er nog eens 1.000 mensen bij aangenomen want ook dit model wordt in Halewood gebouwd. Het totale werknemersbestand van de productiefaciliteit komt daarmee uit op meer dan 4.000 mensen.[3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 08 jun. 2017
  3. de Telegraaf SJOERD BILSEN, VAN 08 nov. 2012