klus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klus
enkelvoud meervoud
naamwoord klus klussen
verkleinwoord klusje klusjes

Zelfstandig naamwoord

klus m

  1. een stuk werk, gewoonlijk met hand en met gereedschap
    De timmerman had die klus snel geklaard.

Werkwoord

vervoeging van
klussen

klus

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klussen
    Ik klus.
  2. gebiedende wijs van klussen
    Klus!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klussen
    Klus je?