klus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klus
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘karwei’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1750 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord klus klussen
verkleinwoord klusje klusjes

Zelfstandig naamwoord

klus m

  1. een stuk werk, gewoonlijk met hand en met gereedschap
    • De timmerman had die klus snel geklaard. 

Werkwoord

vervoeging van
klussen

klus

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klussen
    • Ik klus. 
  2. gebiedende wijs van klussen
    • Klus! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klussen
    • Klus je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen