vuurwerk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vuurwerk.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vuur·werk
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘lichtgevende, ontploffende voorwerpen die bij feestelijke gelegenheden worden aangestoken’ voor het eerst aangetroffen in 1591 [1]
  • samenstelling van  vuur  en  werk 
enkelvoud meervoud
naamwoord vuurwerk vuurwerken
verkleinwoord vuurwerkje vuurwerkjes

Zelfstandig naamwoord

vuurwerk o

  1. één of meerdere voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels.
    • Wij steken altijd vuurwerk af in onze straat. 
  2. (figuurlijk) een hoop onrust en gedoe
    • Als de VVD echt besluit met Saelens in zee te gaan, kunnen we nog heel wat vuurwerk verwachten. [2] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Zelfstandig naamwoord

vuurwerk

  1. vuurwerk