teamwerk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • team·werk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord teamwerk
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

teamwerk o [1]

  1. werken als een groep om samen één taak te verrichten
    • Het bleek een hopeloze opdracht. ‘Norbie’ eindigde in de races als negende en achtste, waar de Zweedse WK-leider dankzij teamwerk genoeg had aan een vijfde en vierde plaats.[2] 
    • Een grote explosie op de markt in Karboel leidt bijna tot een voortijdig vertrek van de president. Hij weigert echter om onverrichterzake in Air Force One te stappen. Veiligheidsagent Kevin Dean, een vroegere partner van Hannah Wells, was ter plekke tijdens de explosie, maar is nu zoek. Hannah en Mike Ritter gaan hem samen zoeken en vinden hem uiteindelijk door uitstekend teamwerk.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 01 dec. 2017
  3. de Telegraaf LENNO VAN DEKKEN 30 nov. 2017