vak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vak vakken
verkleinwoord vakje vakjes

Zelfstandig naamwoord

vak o [2]

  1. beroep
  2. ingedeeld stuk, bijv. schap, baanvak, supportersvak
  3. schoolvak, leervak
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Een oude rot in het vak (zijn)
alles van het vak afweten en alles weten hoe te doen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen