heilswerk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heils·werk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord heilswerk heilswerken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

heilswerk o [1]

  1. (religie) het werk van God en zijn vertegenwoordigers op aarde dat geestelijke verlossing en redding brengt
    • In Christus’ werk is Zijn opstanding het begin van de nieuwe schepping. Door Christus zijn allen die in Hem geloven ook een nieuwe schepping. Bovendien zal Zijn heilswerk uitlopen op de nieuwe schepping, Gods nieuwe wereld. Dat is de vervulling van de profetie uit Jesaja 65. [2] 
    • In de film biedt het aan alle kanten lekkende gebouw onderdak aan ontelbare mensen, onder wie de terminaal zieke priester Julián (Ricardo Darín) die er al jaren de bevolking bijstaat. Hij schakelt de hulp in van Nicolas (Jérémie Renier), een bevriende Belgische priester en zijn beoogde opvolger. Naast hun heilswerk proberen ze samen met sociaal werkster Luciana (Martina Gusman) een bouwproject tot een goed einde te brengen. [3] 

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Dirk Visser 06-03-2019 Dr. Ouweneel hanteert vervangingsleer van eigen soort
  3. NRC André Waardenburg 10 april 2013 De idealen van de paus