voor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: vore
Oudnederlands: fora
Germaans: *furi-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: for (Angelsaksisch: for), Duits: für, (Oudhoogduits: furi), Fries: foar, foare
Noord: Zweeds: för, Deens/Noors: for (Oudnoords: fyrir), IJslands: fyrir

Voorzetsel

voor

  1. dichterbij dan (gezien vanaf de spreker of anderszins)
    Er hangen wolken voor de zon.
  2. aan de voorkant
    Bob hangt iedere avond uren voor de televisie.
    Piet parkeert zijn auto voor de winkel.
  3. eerder komend in de bewegingsrichting
    Je moet voor de kerk linksaf slaan.
  4. eerder in tijd
    We moeten boodschappen doen voor sluitingstijd.
  5. eerder in volgorde
    De K komt voor de L in het alfabet.
  6. eerder in rangorde
    Toen stond PSV voor Ajax en Feyenoord in de eredivisie.
  7. ten behoeve van, ten gunste van (datief)
    Hij geeft cursussen voor beginners en gevorderden.
    Kunt u dit voor mij inpakken?
  8. eens met, positief tegenover, ten gunste van, pro
    De meerderheid stemde voor haar benoeming.
  9. wat betreft, met betrekking tot, aangaande
    Hij is bang voor muizen.
    Yolanda kreeg een tien voor taal.
  10. tegen de prijs van, ten bedrage van, tegen
    Bij ons krijgt u twee bossen rozen voor 10 euro.
    Ik ruilde met de buurjongen tien knikkers voor een bal.
  11. in plaats van, ter vervanging van
    Voor jou tien anderen! schreeuwde de ontevreden werkgever.
  12. lijkend op, beschouwd als
    De overvallers lieten het slachtoffer voor dood liggen.
    Ik hield die man in uniform ten onrechte voor de portier.
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Spreekwoorden
  • voor de hand liggen: zie hand
Vertalingen

Voegwoord

voor

  1. onderschikkend: voordat, aleer, eerder in tijd dan
    Voor hij het doorhad, ging het al mis.
    Je mag geen auto rijden voor je achttien bent.
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     voor  
 persoonlijk     ervoor  
aanwijz.   nabij     hiervoor  
  veraf     daarvoor  
  vragend/betrekk.     waarvoor  


Bijwoord

voor

  1. aan de voorkant
    Zijn huis had voor en achter een grote tuin.
  2. (predicatief) eens, positief
    Of je nou voor of tegen bent, geef in ieder geval je mening.
  3. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    voorbehandelen: De schilder behandelde het hout voor met beits.
  4. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
    ervoor: Hij gaat er morgen de bak voor in.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
enkelvoud meervoud
naamwoord voor voors
verkleinwoord - -
Uitdrukkingen en gezegden

Zelfstandig naamwoord

voor o

  1. positief argument of positieve kant
    Het tegen kreeg meer aandacht dan het voor.
enkelvoud meervoud
naamwoord voor voren
verkleinwoord voortje voortjes

voor v/m

  1. (landbouw) een met een ploeg gemaakte greppel in de aarde
    Hij zaaide graan in de voren.
Afgeleide begrippen
Opmerkingen
  • "Voor" kan geen klemtoon krijgen wanneer het als voorzetsel of bijwoord geen plaats, tijd of stellingname aangeeft, maar meer een abstracte betrekking (Voozetsel [7], [9]-[11] en Bijwoord [4]). De klemtoon kan de tegenstelling met een ander zinsdeel te laten zien, of het verschil met een andere betekenis van "voor". Met klemtoon is de schrijfwijze vóór, dus met klemtoontekens op beide o's.
  • Je moet vóór het huis parkeren, niet ernaast.
  • Hij houdt niet zo van vliegreizen, maar toen we naar Bali konden, was hij vóór.
  • Je moet de tekst controleren vóór je hem publiceert.
  • Zij wou een verlovingsring vóór haar verjaardag (= op een tijdstip eerder dan haar verjaardag)
Zij wou een verlovingsring voor haar verjaardag (= als cadeau met haar verjaardag)
  • Hij ging er vóór liggen. (= hij keerde zich ertegen)
Hij ging er voor liggen. (= hij nam daartoe een liggende houding aan)
Hij ging ervoor liggen. (= hij legde zich aan de voorkant daarvan neer)