achter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter

Voorzetsel

  • achter
  1. verder weg dan (gezien vanaf de spreker of anderszins)
    De zon gaat schuil achter de wolken.
  2. aan de achterkant
    Bob zit voor zijn werk de hele dag achter de computer.
    Piet parkeert zijn auto achter de winkel.
  3. later in rangorde
    Toen stond PSV achter Ajax en Feyenoord in de eredivisie.
  4. in het laatste gedeelte
    Hij is achter in de vijftig.
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     achter  
 persoonlijk     erachter  
aanwijz.   nabij     hierachter  
  veraf     daarachter  
  vragend/betrekk.     waarachter  


Bijwoord

achter

  1. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
    Hier zit meer achter.
  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    Achterlaten: Hij liet een goed lopend bedrijf achter.
    Hij loopt achter met zijn werk, dus hij moet nog veel inhalen.


Limburgs

Uitspraak
enkelvoud meervoud
bepaald geheel achtere achterer
gemut. - -
onbepaald geheel achter achter
gemut. - -

Voorzetsel

achter + accusatief/datief

  1. (Hooglimburgs) achter.
  2. (Hooglimburgs) na.
    «Achter vief oere, den aere 'ch bie dich.»
    Na vijf uur ben ik bij jou.