voorlopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voorlopen
liep voor
voorgelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

voorlopen

  1. voorop lopen
    • Bij een begrafenis is het traditie dat de uitvaartleider de stoet voorloopt. 
    • Door telkens te vernieuwen kan een bedrijf blijven voorlopen op concurrenten. 
  2. te snel lopen (van een uurwerk)
    • Mijn horloge loopt voor. 
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.