voorbode

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·bo·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voorbode voorbodes
voorboden
verkleinwoord voorbodetje voorbodetjes

Zelfstandig naamwoord

voorbode m (de)

  1. (beroep) (letterlijk) bode die vooruitgestuurd is om de komst van iets of iemand aan te kondigen, voorloper ,aankondiger
    • De voorbode kondigde de komst van de koning en de koningin aan. 
  2. (figuurlijk) iets dat het naderen van een feit in de toekomst bekend maakt, voorteken
    • De herfst kan als de voorbode van de winter gezien worden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.