voorbode

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·bo·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voorbode voorbodes
voorboden
verkleinwoord voorbodetje voorbodetjes

Zelfstandig naamwoord

voorbode m (de)

  1. (beroep) (letterlijk) bode die vooruitgestuurd is om de komst van iets of iemand aan te kondigen, voorloper ,aankondiger
    • De voorbode kondigde de komst van de koning en de koningin aan. 
  2. (figuurlijk) iets dat het naderen van een feit in de toekomst bekend maakt, voorteken
    • De herfst kan als de voorbode van de winter gezien worden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be