voorlicht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·licht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voorlicht voorlichten
verkleinwoord voorlichtje voorlichtjes

Zelfstandig naamwoord

voorlicht

  1. lamp(en) aan de voorkant van een voertuig
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
voorlichten

voorlicht

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorlichten
    • ... dat ik voorlicht. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorlichten
    • ... dat jij voorlicht. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorlichten
    • ... dat hij voorlicht. 
Gelijkklinkende woorden

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie