eens

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

  • ééns
  • eens
Woordafbreking
  • eens
Woordherkomst en -opbouw
  • Genitief van een.
stellend
onverbogen eens
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

ééns

  1. alleen predicatief: het ~ zijn/worden over tot een vergelijk komen
    Zij konden het er niet over eens worden.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Het eens zijn.

Vertalingen

Bijwoord

ééns

  1. op enigerlei tijd in het verleden.
    Eens was dat een rijke stad.
  2. op een bepaald tijdstip in de toekomst.
    Eens zal hij daar spijt van krijgen.

eens

  1. modaal bijwoord dat een uitzondering of een voorstel uitdrukt.
    Daar moet hij eens mee ophouden.
    Zal ik eens koffie zetten?

Lidwoord

eens genitief enk m en o

  1. (verouderd) van een
    De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens menschen en het aangezicht eens leeuws hadden zij vier aan de rechterzijde.[1]
Verwijzingen
  1. Ezechiel 1:10
    Bijbel: dat is de gansche Heilige Schrift vervattende al de kanonieke boeken des Ouden en Nieuwen Testaments
    Amerikaansch Bybelgenootschap, 1816