eens

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

  • ééns
  • eens
Woordafbreking
  • eens
Woordherkomst en -opbouw
  • Genitief van een.
stellend
onverbogen eens
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

ééns

  1. alleen predicatief: het ~ zijn/worden over tot een vergelijk komen
    Zij konden het er niet over eens worden.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden

Het eens zijn.

Vertalingen

Bijwoord

ééns

  1. op enigerlei tijd in het verleden.
    Eens was dat een rijke stad.
  2. op een bepaald tijdstip in de toekomst.
    Eens zal hij daar spijt van krijgen.
Vertalingen

eens

  1. modaal bijwoord dat een uitzondering of een voorstel uitdrukt.
    Daar moet hij eens mee ophouden.
    Zal ik eens koffie zetten?

Lidwoord

eens

  1. (verouderd) van een genitief van het lidwoord een bij een mannelijk of onzijdig woord
    De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het aangezicht eens leeuws hadden zij vier aan de rechterzijde; (...)[1]}}
Verwijzingen
  1. Ezechiel 1:10 Statenvertaling. Jongbloededitie op website Statenvertaling.net; geraadpleegd 2015-10-25


Pennsylvania-Duits


Telwoord (pdc)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300
4 14 40 400
5 15 50 500
6 16 60 600
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900
Uitspraak
Woordafbreking
  • eens

Hoofdtelwoord

eens

  1. één
Synoniemen
Opmerkingen