Naar inhoud springen

voorraad

Uit WikiWoordenboek
De voorraad in een voorraadkast.
  • voor·raad
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘voorhanden hoeveelheid’ voor het eerst aangetroffen in 1562 [1]
  • Uit het Duits of samenstelling van voor en raad (voorzorg) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord voorraad voorraden
verkleinwoord voorraadje voorraadjes

devoorraadm

  1. wat voor later gebruik wordt opgeslagen
    • Hij had genoeg voorraad om de winter door te komen. 
     Ik herken de winkel waar Lot eerder een nieuwe voorraad mueslirepen kocht.[3]
     Ongeveer twee uur in de week werken de jongens aan hun verkoopautomaat-bedrijf: ze benaderen dan ondernemers of die geïnteresseerd zijn in het plaatsen een machine, kopen producten in en bepalen vervolgens zelf de inhoud en de prijs daarvan. Wijdeven: "In een app kan ik zien wat de voorraad is en krijg ik meldingen of er iets leeg of fout is. Daarnaast ben ik veel bezig met het zoeken van nieuwe plekken en het benaderen van eigenaren, maar dat zie ik niet echt als werken."[4]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  1. "voorraad" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. voorraad op website: Etymologiebank.nl
  3. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  4. Bronlink geraadpleegd op 5 april 2025 Weblink bron
    Pomme Rademaker
    “Bijverdienen met een verkoopautomaat bij kapper of sportschool is in trek” (5 april 2025), NOS
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be