voorraad

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
De voorraad in een voorraadkast.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·raad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voorraad voorraden
verkleinwoord voorraadje voorraadjes

Zelfstandig naamwoord

voorraad m

  1. wat voor later gebruik wordt opgeslagen
    • Hij had genoeg voorraad om de winter door te komen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen