voorrecht
Uiterlijk
- voor·recht
- samenstelling van voor en recht
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | voorrecht | voorrechten |
| verkleinwoord | voorrechtje | voorrechtjes |
het voorrecht o
- (juridisch) recht, aan een persoon of een lichaam boven anderen toegekend
- omstandigheid waardoor men begunstigd is
- ▸ De Italiaanse premier Meloni is naar eigen zeggen ook erg verdrietig. "Ik heb het voorrecht gehad om te genieten van zijn vriendschap, zijn raad en zijn lessen, die nooit verkeerd waren, zelfs niet in tijden van beproeving en lijden."[1]
- Het woord voorrecht staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "voorrecht" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑
Weblink bron “Bedroefde reacties op dood van paus: 'Miljoenen mensen geïnspireerd'” (21 april 2025), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be