Naar inhoud springen

voordeur

Uit WikiWoordenboek
voordeur
  • voor·deur
enkelvoud meervoud
naamwoord voordeur voordeuren
verkleinwoord voordeurtje voordeurtjes

devoordeurv/m

  1. de hoofddeur aan de voorzijde van een gebouw of woning
    • Als je wilt dat iemand de voordeur voor je openmaakt moet je eerst aanbellen. 
    • Ik hoorde de sleutel in het slot van de voordeur. [1] 
     Maar heb jij je nooit afgevraagd waar jij mee bezig bent? Hoe nuttig het is om vijf, zes keer per jaar dezelfde persoon van straat te moeten plukken? Om dezelfde voordeur steeds weer te moeten openbreken? Jij voelt je de redder van de mensheid.[2]
     Het zijn schoenen die je niet kapot kunt krijgen, schoenen die nog trouw bij de voordeur staan te wachten als je enkels het allang niet meer doen van de artritis.[3]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. Sandes, David
    De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 90
  2. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  3. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be