voordeur
Uiterlijk

- voor·deur
- samenstelling van voor en deur
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | voordeur | voordeuren |
| verkleinwoord | voordeurtje | voordeurtjes |
- de hoofddeur aan de voorzijde van een gebouw of woning
- Als je wilt dat iemand de voordeur voor je openmaakt moet je eerst aanbellen.
- Ik hoorde de sleutel in het slot van de voordeur. [1]
- ▸ Maar heb jij je nooit afgevraagd waar jij mee bezig bent? Hoe nuttig het is om vijf, zes keer per jaar dezelfde persoon van straat te moeten plukken? Om dezelfde voordeur steeds weer te moeten openbreken? Jij voelt je de redder van de mensheid.[2]
- ▸ Het zijn schoenen die je niet kapot kunt krijgen, schoenen die nog trouw bij de voordeur staan te wachten als je enkels het allang niet meer doen van de artritis.[3]
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
- Het woord voordeur staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "voordeur" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Sandes, DavidDe wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 90
- ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
- ↑ Ronald Giphart e.a.“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %