voorzien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·zien
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voorzien
/vɔːr.'zin/
voorzag
/vɔːr.'zɑx/
voorzien
/vɔːr.'zin/
klasse 5 volledig

Werkwoord

voorzien

  1. overgankelijk een profetische blik hebben
    • Hij voorzag dat dit tot ongelukken zou leiden. 
  2. overgankelijk ~ van: voorzorgen treffen
    • U bent voorzien van alle nodige spullen. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Deelwoord

deelwoord
onverbogen voorzien
verbogen voorziene
vervoeging van
voorzien

voorzien voltooid deelwoord van voorzien

  1. vormt de voltooide tijden
    • Daarin was al voorzien. 
  2. attributief gebruikt van tevoren voorspeld
    • De voorziene toeloop bleek wat tegen te vallen. 
Antoniemen
Hyponiemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.