voorlaatst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·laatst
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen voorlaatst
verbogen voorlaatste

Bijvoeglijk naamwoord

voorlaatst

  1. niet de laatste maar één daarvoor
    • Hij eindigde op de voorlaatste plaats in de wedstrijd. 
Hyponiemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.