voorleggen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voorleggen
legde voor
voorgelegd
zwak -d volledig

Werkwoord

voorleggen [1]

  1. (overgankelijk) voor iemand neerleggen
  2. (overgankelijk) aan iemands oordeel onderwerpen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal