akker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ak·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord akker akkers
verkleinwoord akkertje akkertjes

Zelfstandig naamwoord

akker m

  1. (landbouw) afgeperkt stuk land dat bestemd is bebouwd te worden met een gewas
    • Op de Groningse akkers worden veel suikerbieten verbouwd. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Gods water over Gods akker laten lopen
  • onbezorgd er maar op losleven
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
akkeren

akker

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van akkeren
    • Ik akker. 
  2. gebiedende wijs van akkeren
    • Akker! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van akkeren
    • Akker je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl