hand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Hand

Nederlands

Een hand.
Uitspraak
Woordafbreking
  • hand
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hand handen
verkleinwoord handje handjes

Zelfstandig naamwoord

hand v

  1. (anatomie) uiterste deel van de arm, voorbij de pols
    • Zij heeft in haar hand een groot boek. 
Hyperoniemen
Meroniemen
Holoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
handen

hand

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van handen
    • Ik hand. 
  2. gebiedende wijs van handen
    • Hand! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van handen
    • Hand je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
hand hands

Zelfstandig naamwoord

hand

  1. (anatomie) hand

Werkwoord

vervoeging
onbepaalde wijs to hand
he/she/it hands
verleden tijd handed
voltooid
deelwoord
handed
onvoltooid
deelwoord
handing
gebiedende wijs hand

hand

  1. overhandigen
  2. reiken
Uitdrukkingen en gezegden

at hand

  1. dichtbij

to lend a hand

  1. helpen

shake hands

  1. de handen schudden


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

hand g

  1. (anatomie) hand