voorst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voorst
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen voorst
verbogen voorste

Bijvoeglijk naamwoord

voorst

  1. meest vooraan, eerder dan alle andere
    • Wij stonden in het voorst gelid
      Niet een streed zo als hij.[1]
       

Verwijzingen

  1. Mooi Elsje. De zangeres zonder naam
enkelvoud meervoud
naamwoord voorst -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

voorst o

  1. (verouderd) begin
    «Het voorst van de 16e eeuw.»
    Het begin van de 16e eeuw.

Meer informatie

Gangbaarheid