prijs

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prijs
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kosten’ voor het eerst aangetroffen in 1250 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord prijs prijzen
verkleinwoord prijsje prijsjes

Zelfstandig naamwoord

prijs m

  1. (economie) het bedrag (meestal in geld) dat betaald wordt voor een goed of een dienst [3]
    • De prijzen zijn deze winter sterk gestegen. 
     In 1989 nam Henriroux de zaak over. 'We zijn trots op onze geschiedenis, maar proberen altijd vooruit te denken', zegt hij. Henriroux opende een hotel en een tweede restaurant waar je goed kunt eten tegen redelijke prijzen.[4]
  2. een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie [5]
    • Hij won de tweede prijs in de loterij. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Het was weer prijs.

  • Het was weer zover.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
prijzen

prijs

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prijzen
    • Ik prijs. 
  2. gebiedende wijs van prijzen
    • Prijs! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prijzen
    • Prijs je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Papiamento

Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Nederlandse prijs.
enkelvoud of
impliciet meervoud
expliciet meervoud
  prijs     prijsnan  

Zelfstandig naamwoord

prijs

  1. prijs
Schrijfwijzen
  • Schrijfwijze op Bonaire en Curaçao: preis.