voormalig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·ma·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen voormalig
verbogen voormalige
partitief voormaligs

Bijvoeglijk naamwoord

voormalig

  1. niet langer; in het verleden geweest
    • Hij had een vraaggesprek met de voormalige premier. 
    • Daar ligt hij dan, Boris Nikolajevitsj Jeltsin, opgebaard in een open kist, gewikkeld in het wit-rood-blauw van de Russische vlag. "De Russische beer is dood", zegt Michail Strigin, treurend over de voormalige leider van het land. [1] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen