voormalig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·ma·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen voormalig
verbogen voormalige
partitief voormaligs

Bijvoeglijk naamwoord

voormalig

  1. niet langer; in het verleden geweest
    • Hij had een vraaggesprek met de voormalige premier. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.