voorhoofd
Uiterlijk
- voor·hoofd
- samenstelling van voor en hoofd
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | voorhoofd | voorhoofden |
| verkleinwoord | voorhoofdje | voorhoofdjes |
het voorhoofd o
- (anatomie) het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
- wijzen naar je voorhoofd
zeggen dat iemand of iets knettergek is
- Hij maakte zijn zin niet af, hij wees veelbetekenend met zijn vinger naar zijn voorhoofd. [2]
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
- Het woord voorhoofd staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "voorhoofd" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- 1 2 Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
- ↑ Herzen, FrankDe zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 89
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be