voorhoofd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·hoofd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voorhoofd voorhoofden
verkleinwoord voorhoofdje voorhoofdjes

Zelfstandig naamwoord

voorhoofd o

  1. (anatomie) het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • wijzen naar je voorhoofd
zeggen dat iemand of iets knettergek is
  • Hij maakte zijn zin niet af, hij wees veelbetekenend met zijn vinger naar zijn voorhoofd. [1]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 89
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be