voorhoofd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·hoofd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voorhoofd voorhoofden
verkleinwoord voorhoofdje voorhoofdjes

Zelfstandig naamwoord

voorhoofd o

  1. (anatomie) het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • wijzen naar je voorhoofd
zeggen dat iemand of iets knettergek is
  • Hij maakte zijn zin niet af, hij wees veelbetekenend met zijn vinger naar zijn voorhoofd. [1]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 89