voornemen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·ne·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voornemen
nam voor
voorgenomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

voornemen

  1. wederkerend zich ~: van plan zijn iets te gaan doen
    • Hij had zich dat voorgenomen. 
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord voornemen voornemens
verkleinwoord voornementje voornementjes

Zelfstandig naamwoord

voornemen o

  1. iets dat iemand heeft voorgenomen of iets dat iemand van plan is om uit te voeren
    • De meeste rokers hebben het voornemen ooit nog eens te stoppen met hun ongezonde gewoonte. Velen hebben al diverse pogingen gedaan, maar zijn toch weer in hun verslaving teruggevallen. Stoppen met roken, dat is voor de meesten makkelijker gezegd dan gedaan.[1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie