voorover
Uiterlijk
- voor·over
- samenstelling van voor en over
voorover
- in voortwaartse richting
- Hij maakte een salto voorover.
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord in voorwaartse richting hellend of vallend
- vooroverbuigen: Hij boog voorover om zijn veter te strikken.
- ▸ Toen ze zeker wist dat ze mijn aandacht had, boog ze zich voorover en trok haar versleten schoen uit.[1]
- ▸ Olive boog zich voorover en keek in de emmer.[1]
- Het woord voorover staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "voorover" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[2] |
- 1 2 Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Bijwoord in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 98 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %