Naar inhoud springen

voorover

Uit WikiWoordenboek
  • voor·over

voorover

  1. in voortwaartse richting
    • Hij maakte een salto voorover. 
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord in voorwaartse richting hellend of vallend
     Toen ze zeker wist dat ze mijn aandacht had, boog ze zich voorover en trok haar versleten schoen uit.[1]
     Olive boog zich voorover en keek in de emmer.[1]
98 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[2]
  1. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be