voren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vo·ren

Bijwoord

voren

  1. van ~: aan of van de voorzijde
    • De vogel ziet er van voren bijna hetzelfde uit als een mus, maar de staart is anders. 
  2. naar ~ in voorwaartse richting
    • Hij liep naar voren toen zijn naam genoemd werd. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
enkelvoud meervoud
naamwoord voren vorens
verkleinwoord vorentje vorentjes

Zelfstandig naamwoord

voren m

  1. een vis van het zoete water met rode vinnen
    • Hij ving alleen maar een paar vorentjes. 
Synoniemen
Hyponiemen
Anagrammen

Zelfstandig naamwoord

voren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vore
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord voor
Afgeleide begrippen


Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.


Zweeds

Woordafbreking
  • vo·ren

Werkwoord

voren

  1. voltooid deelwoord van vara