voorganger

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·gan·ger
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van voor en gang met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord voorganger voorgangers
verkleinwoord voorgangertje voorgangertjes

Zelfstandig naamwoord

voorganger m

  1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
    • Zijn voorganger had alle documentatie netjes achtergelaten. 
  2. (religie) dienstdoende predikant in een kerkdienst
    • De voorganger hield een betoog over vertrouwen. 
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie