voorganger

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·gan·ger
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van voor en gang met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord voorganger voorgangers
verkleinwoord voorgangertje voorgangertjes

Zelfstandig naamwoord

voorganger m

  1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
    • Zijn voorganger had alle documentatie netjes achtergelaten. 
     Nobelen uit vorige eeuwen hadden het eiland volgebouwd met hun pronkpalazzi en de kieren die toevallig ontstonden tussen de wereldwonderen in, moesten maar als straat dienen. Wie zich wil verplaatsen in Venetië moet voortdurend om het exhibitionistische vertoon van liefde voor de stad van zijn voorgangers in deze stad heen lopen.[1]
  2. (religie) dienstdoende predikant in een kerkdienst
    • De voorganger hield een betoog over vertrouwen. 
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 23