voorpret

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·pret
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voorpret -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

voorpret v/m

  1. het plezier dat men bij voorbaat heeft, voordat men iets plezierigs beleven gaat
    • De voorpret hoort bij mij ook al tot vakantie. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be