voordoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·doen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voordoen
deed voor
voorgedaan
onregelmatig volledig

Werkwoord

voordoen

  1. overgankelijk bij wijze van voorbeeld laten zien hoe iets gedaan hoort te worden
    • Hij had het enige keren voorgedaan, maar ze kreeg het niet voor elkaar. 
  2. wederkerend zich ~: komen te gebeuren, zich aandienen
    • Wat er zich daar heeft voorgedaan zal de betrokkenen nog lang heugen. 
    • De wethouder stelt dat er extra geld is gereserveerd om de eikenprocessierups te bestrijden en om te voorkomen dat evenementen niet of zeer beperkt door kunnen gaan zoals vorig jaar. “De hotspots zijn in beeld en Gildebor staat klaar waar nodig. Veel zal afhangen van de weersomstandigheden en de mate van de plaag. Als het warmer is zal de rupsenplaag zich eerder voordoen.” [1] 
  3. wederkerend zich ~ als: impersoneren, een bepaalde indentiteit voorwenden
    • Hij had zich voorgedaan als een rijke investeerder. 
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen