voordoen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·doen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voordoen
deed voor
voorgedaan
onregelmatig volledig

Werkwoord

voordoen

  1. overgankelijk bij wijze van voorbeeld laten zien hoe iets gedaan hoort te worden
    • Hij had het enige keren voorgedaan, maar ze kreeg het niet voor elkaar. 
  2. wederkerend zich ~: komen te gebeuren, zich aandienen
    • Wat er zich daar heeft voorgedaan zal de betrokkenen nog lang heugen. 
  3. wederkerend zich ~ als: impersoneren, een bepaalde indentiteit voorwenden
    • Hij had zich voorgedaan als een rijke investeerder. 
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.