voorstel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·stel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voorstel voorstellen
verkleinwoord voorstelletje voorstelletjes

Zelfstandig naamwoord

voorstel o

  1. hetgeen dat voorgesteld wordt [1]
    • Hij deed hem een voorstel. 
    • Kamerlid Wybren van Haga van de VVD wist eind november de aandacht van bijna de gehele media op zich te vestigen met een voorstel geld vrij te maken voor geboortebeperking in Afrika, omdat dat ‘meer rendement oplevert dan investeren in honger of onderwijs’. [2] 
  1. het voorste stuk of gedeelte van iets (net als voordeel) [3]
Synoniemen
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
voorstellen

voorstel

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorstellen
    • ... dat ik voorstel. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen