af

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen af
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

af

  1. (tweeletterwoord) klaar, gereed
    Het werk is nog lang niet af.
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     af  
 persoonlijk     eraf  
aanwijz.   nabij     hieraf  
  veraf     daaraf  
  vragend/betrekk.     waaraf  

Bijwoord

af

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: niet langer op of aan iets
    afwassen: hij waste de kopjes af
  2. prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord niet langer op of aan iets
    De stank is er nog steeds niet af.
  3. scheidbaar deel van vanaf
    Hij is van de weg af.
  4. iets ~ zijn niet langer iets zijn
    Daarmee is hij politicus af
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • af
Naar frequentie 25

Voorzetsel

af

  1. (tweeletterwoord) van, uit
    «Naboerne sprang til og fik manden hevet op af vandet.»
    Buren sprongen erbij en kregen de man uit het water eruit getild.
Afgeleide begrippen
  • af-
  • op af
  • ned af
  • ud af
Verwante begrippen
Tweeletterwoorden in het Deens

adafalatbydadeduejenénerethajajoninunyogohokomoposparosasetitoudviåhårøh


Gotisch

Voorzetsel

af + datief

  1. van, weg van, vanaf


Turks

Zelfstandig naamwoord

af

  1. gratie, vergiffenis