af
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | af |
| verbogen | (alleen predicaat) |
Bijvoeglijk naamwoord
af
- klaar, gereed.
- Het werk is nog lang niet af.
Antoniemen
| vnw. bijw. | ||
|---|---|---|
| voorzetselbijwoord | af | |
| persoonlijk | eraf | |
| aanwijz. | nabij | hieraf |
| veraf | daaraf | |
| vragend/betrekk. | waaraf | |
Bijwoord
af
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: niet langer op of aan iets
- afwassen: hij waste de kopjes af
- prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord niet langer op of aan iets
- De stank is er nog steeds niet af.
- scheidbaar deel van vanaf
- Hij is van de weg af.
- iets ~ zijn niet langer iets zijn
- Daarmee is hij politicus af
Deens
Uitspraak
Woordafbreking
- af
Voorzetsel
af
- van, uit
- «Naboerne sprang til og fik manden hevet op af vandet.»
- Buren sprongen erbij en kregen de man uit het water eruit getild.
- «Naboerne sprang til og fik manden hevet op af vandet.»
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: op af
- [1]: ned af
- [1]: ud af
Gotisch
Voorzetsel
af + datief
Turks
Zelfstandig naamwoord
af
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Predicaatswoord in het Nederlands
- Bijwoord in het Nederlands
- Woorden in het Deens
- Voorzetsel in het Deens
- Woorden in het Gotisch
- Voorzetsel in het Gotisch
- Voorzetsel met de datief in het Gotisch
- Woorden in het Turks
- Zelfstandig naamwoord in het Gotisch