af

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af
stellend
onverbogen af
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

af

  1. klaar, gereed.
    Het werk is nog lang niet af.
Antoniemen
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     af  
 persoonlijk     eraf  
aanwijz.   nabij     hieraf  
  veraf     daaraf  
  vragend/betrekk.     waaraf  

Bijwoord

af

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: niet langer op of aan iets
    afwassen: hij waste de kopjes af
  2. prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord niet langer op of aan iets
    De stank is er nog steeds niet af.
  3. scheidbaar deel van vanaf
    Hij is van de weg af.
  4. iets ~ zijn niet langer iets zijn
    Daarmee is hij politicus af


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • af

Voorzetsel

af

  1. van, uit
    «Naboerne sprang til og fik manden hevet op af vandet.»
    Buren sprongen erbij en kregen de man uit het water eruit getild.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: op af
  • [1]: ned af
  • [1]: ud af


Gotisch

Voorzetsel

af + datief

  1. van, weg van, vanaf


Turks

Zelfstandig naamwoord

af

  1. gratie, vergiffenis