afsteken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·ste·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afsteken |
stak af |
afgestoken |
| klasse 4 | volledig | |
Werkwoord
afsteken
- (overgankelijk) door insteken van bijvoorbeeld een spade een hoeveelheid materiaal verwijderen
- Hij heeft de rand van het perkje keurig afgestoken.
- (inergatief) een groot contrast geven
- Die kleur stak sterk af bij de achtergrond.
- (overgankelijk) doen ontbranden
- Hij wilde een lucifer afsteken, maar het was te winderig.
- (overgankelijk) een redevoering, zang of preek ten gehore brengen
- Hij begon een scheldpartij af te steken, maar de voorzitter belette hem dat.
Uitdrukkingen en gezegden
- Iemand de loef afsteken.
Iemand te snel of te slim af zijn.