afbranden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| afbranden |
brandde af |
afgebrand |
| zwak -d | volledig | |
Woordafbreking
- af·bran·den
Werkwoord
afbranden
- (ergatief) geheel door brand teloorgaan
- Deze kerk brandde in 1477 af en werd vervangen door een veel grotere op dezelfde plaats.
- (overgankelijk) geheel door brand vernietigen
- Het gras in dit bos moet regelmatig afgebrand worden.